Gebruik van ANPR-camera’s voor belastingheffing niet toegestaan

//Gebruik van ANPR-camera’s voor belastingheffing niet toegestaan

Gebruik van ANPR-camera’s voor belastingheffing niet toegestaan

De Hoge Raad heeft in een tweetal zaken beslist dat het gebruik van foto’s van ANPR-camera’s boven snelwegen voor controle privégebruik van zakelijke auto’s een ongeoorloofde inbreuk vormt op het recht van privacy. De algemene taakomschrijving van de Belastingdienst of enige (andere) wettelijke bepaling biedt hiervoor geen toereikende wettelijke grondslag.

De Hoge Raad oordeelt kortweg gezegd dat de inspecteur over de met ANPR-camera’s verzamelde gegevens beschikt zonder dat hij over de daarvoor vereiste wettelijke grondslag beschikt.

Deze informatie mag dan, aldus de Hoge Raad, door de inspecteur niet worden gebruikt om daarop de naheffingsaanslagen te baseren.

Het verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en gebruiken van de ANPR‑gegevens, zoals dat in feite heeft plaatsgevonden, behoeft een voldoende precieze wettelijke grondslag.

De inmenging in het privéleven moet berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift waaruit de burger met voldoende precisie kan opmaken welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt.

Er is niet één wettelijke bepaling die de inspecteur een voldoende precieze grondslag verschaft voor de gevolgde handelwijze, aldus de Hoge Raad. Het beroep in cassatie is gegrond. De naheffingsaanslagen en bijbehorende boetebeschikkingen worden vernietigd.

In een andere vergelijkbare procedure werd de zaak door de Hoge Raad verwezen naar het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden. Dat Hof moet opnieuw beoordelen of de auto voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden is gebruikt, ditmaal zonder acht te slaan op de met behulp van de ANPR-camera’s verzamelde gegevens.

By | 2017-03-04T13:11:19+00:00 7 februari, 2017|Uitspraak Hoge Raad|
mr. Pieter Griep | Griep Fiscalisten